Slapen

En toen, op een dag, geheel onverwacht, werd ik niet meer wakker. Het was wel een beetje raar, maar ik was er redelijk snel aan gewend. Mijn omgeving had er meer moeite mee. Er werd aan me geschud, tegen me gepraat en om me gehuild. Ik zou graag willen zeggen dat het niet erg was, maar ik sliep. Ik lag daar maar een beetje. Het werd middag en avond. In de avond kwam de huisarts langs. Mijn bloeddruk werd gemeten en mijn bloed werd geprikt. Ik werd een paar keer in mijn gezicht geslagen en ik kreeg een soort luier om. Morgenochtend zou de dokter terugkomen. Met de luier was ik wel blij. Ik werd die avond nog drie keer verschoond en vóór de wereld om mij heen – die wereld was op dat moment niet groter dan de slaapkamer, een klein stukje van de gang en een nog kleiner stukje van de straat dat door het open raam de slaapkamer binnendrong – ging slapen, werd ik voorgelezen uit een boek met korte verhaaltjes.

De volgende ochtend lukte het me weer niet om wakker te worden. Ik was toch echt op tijd naar bed gegaan. Na enkele pogingen gaf ik op. Zo erg was het niet. Weer werd er aan me geschud en tegen me gepraat. Ook kreeg ik weer een paar klappen in mijn gezicht, maar gehuild werd er niet.

Ik schrok. De dokter druppelde water op mijn lippen. In de gang, of beneden, in ieder geval buiten het deel van het huis dat ik tot mijn wereld rekende, werd er over me gepraat.

Die middag kwamen er drie onbekenden mijn wereld binnen. Mijn bloeddruk werd gemeten en mijn temperatuur werd opgenomen. Weer werd ik in mijn gezicht geslagen. Iemand deed sokken om mijn voeten. Nadat ik ook een wijd T-shirt aan kreeg werd er door de mannen flink aan me getrokken en geduwd. Eerst bewogen ze mijn benen en vervolgens mijn armen. Ze zetten me rechtop en legde me weer neer. Na deze fysieke arbeid kreeg ik een buisje in mijn arm. Sindsdien heb ik geen dorst en honger meer.

Een uur later werd me weer een verhaal voorgelezen uit het korte-verhaaltjes-boek. Het verhaal ging over een varken. Het varken ging dood.

’s Avonds kwamen de mannen terug. Er werd weer over me gepraat. Ik moest toch echt mee voor meer onderzoek, was de conclusie. Eén van de mannen legde aan me uit dat ik naar het ziekenhuis gebracht zou worden. Ik wilde helemaal niet weg. Ik hou van mijn eigen bed, mijn eigen deken en kussens, mijn eigen knuffels en mijn eigen vriendje om me heen. Ik probeerde wakker te worden om ze dat te vertellen, maar het lukte niet. Gelukkig mocht ik die nacht nog thuis blijven. De drie mannen zouden morgen een ambulance sturen. Er werd nog wat aan me gefrunnikt en toen was het weer rustig.

De tijd kroop voorbij tot mijn vriendje bij me kroop. Hij masseerde mijn rug en praatte wat over zijn werk en de kat. De kat lag al even lang op bed als ik. Volgens mij vond de kat het jammer dat hij niet ook een slangetje en een luier had. De kat sleepte zichzelf tweemaal daags naar beneden voor de noodzakelijke activiteiten om dan zo snel mogelijk weer naast me te komen liggen. De kat laag graag bij het hoofdeinde. De sokken kregen mijn voeten niet warm en de kat houdt niet van kou. Ik hoorde liever over de kat dan het werk, maar alles beter dan de stervende varkens.

Zoals beloofd werd er de volgende ochtend weer druk aan me geduwd en getrokken. Dit keer werd ik ook getild. Van mijn bed op de brancard en van de brancard op een steriel ziekenhuisbed. Van het ziekenhuisbed op de tafel voor een lichaamsscan en van die tafel weer op het bed. Ik werd omgekleed en gewassen. Mijn haar werd netjes ingevlochten, ik kreeg wat spuitjes en na al die drukte kreeg ik een knuffel uit de ziekenhuiswinkel onder mijn arm geklemd. Het beest rook naar schoon en nieuw en voelde naar pluizig pluche.

Tegen etenstijd kwam er een nieuwe stem. Ze stelde zich voor als zuster Els. Zuster Els legde uit dat zodra ik wakker was, ik op het knopje moest drukken. Ze las een verhaaltje voor over een olifantenkindje dat zijn moeder kwijt was.

“Dokter Beuker komt zo”,zei ze voor ze vertrok. Dokter Beuker…

Dokter Beuker, of zoals hij zichzelf voorstelde, Hans, heeft wel een half uur medische termen naar mijn oren gesmeten. Ik begreep dat er nog meer onderzoek gedaan zou gaan worden. Ze begrepen niet wat er aan de hand was.

Na het jargon van de Beuker begon een bekende stem te praten. Eindelijk, vriendje! De stem hield een monoloog over zijn werk en de kat. De stem vertelde ook over ouders en vrienden en bloemen en kaartjes. Alles beter dan olifantenkindjes die hun moeder kwijt zijn. De handen die bij de stem horen vervingen de ziekenhuisknuffel door Wolfje. Wolfje heeft een bekende geur. Ik klemde Wolfje stevig vast. Stukje bij beetje werd het rustiger.

Het werd avond. Het werd nacht. Het werd ochtend.

Ik werd verplaatst en er werd aan me geduwd en getrokken. Ik kreeg spuitjes. Er werd tegen me gepraat door Els en Hans, door papa en mama, door vriendje en door vage bekenden. Mensen pakte mijn hand beet en knepen erin. Ik kreeg kusjes op mijn voorhoofd. Mensen aaide over mijn haar. Het werd avond en nacht.

Overdag kwamen er steeds meer mensen. Niet alleen familie en vrienden en vage bekenden, maar ook steeds meer onbekenden en artsen en wetenschappers. Na een paar weken kwamen er nauwelijks nog bekenden. Ik was blij met Els en Hans. Els had een boek over een konijn met superkrachten gevonden. Ze las elke dag een stukje. De Beuker vertelde welke artsen en wetenschappers en welke stagiairs bezig waren met onderzoek naar mij. Namen. Heel veel namen.

Een paar maanden later kwam vriendje ineens niet alleen. “Dit is Isabel”, zei hij. “Isabel is heel lief. Ik zie haar vaak de laatste tijd. Ze komt ook bij me thuis.” Vriendje vertelde over de steun die Isabel hem gaf. Ik hoorde toch liever over stervende varkens en eenzame olifanten. Het lukte me nog steeds niet om wakker te worden. Els vertelde dat ze over zes weken met pensioen zou gaan. “Morgen stel ik je voor aan de nieuwe zuster.” De nieuwe zuster zou steeds vaker bij me komen en Els steeds minder. De nieuwe zuster las niet voor. Vriendje ook niet meer. Vriendje praatte met Isabel over hun huis en hun tuin. Míjn tuin!

Hans wist niet meer wat hij moest doen maar probeerde toch dagelijks te vertellen over het onderzoek. Er was een arts uit Amerika die wilde komen kijken naar ‘The sleeping beauty’, zoals ik daar werd genoemd. Hij had over me gelezen op internet en foto’s van me gezien.

De Amerikaan, zo vertelde Hans, vond het reuze interessant en zou zes maanden bij het ziekenhuis komen werken om onderzoek te doen. Vriendje kwam bijna niet meer. Hij vond het niet meer zo interessant. Hij en Isabel hadden het erg druk. Vriendje was niet eens bij het afscheid van Els. Els had speciaal voor mij een paar dubbel gevoerde sokken gebreid.

De Amerikaan heette Steven. Hij zou overmorgen arriveren. Ineens was het weer druk rond mijn bed. Allemaal fotografen en artsen. Er werden vragen gesteld aan Hans en de nieuwe zuster. Ik kreeg nog meer pluche beestjes en kaartjes. De nieuwe zuster las de kaartjes voor en een dag later de krantenartikelen. Ik hoorde toch liever Hans of Els over eenzame olifantenkindjes.

Die avond was ik het zat. Al die drukte om niets en vriendje en Isabel die zaten te ruziën naast het ziekenhuisbed. Ik opende mijn ogen en zag dat het nog niet zo laat was. Als ik snel was haalde ik de trein van zes over vier nog.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: